OPERA2DAY

woensdag 17 januari 2018

GRANDEUR ET DÉCADENCE: EEN EEUW THÉÂTRE FRANÇAIS IN VOGELVLUCHT

GRANDEUR ET DÉCADENCE: EEN EEUW THÉÂTRE FRANÇAIS IN VOGELVLUCHT

LEEG PALEIS WORDT SCHOUWBURG
Ooit stond de Koninklijke Schouwburg – de uitvalsbasis van OPERA2DAY – op het netvlies van iedere operaliefhebber in Nederland. Het was het grootste operahuis in het land en in weinig steden in Europa kon je zoveel Franse opera’s bewonderen als in Den Haag. Die prominente positie dankte de Schouwburg aan het Théâtre Français de la Haye. Dat gezelschap bracht – van 1804 tot 1919 – aan het Korte Voorhout per week minimaal drie verschillende opera’s op het podium.

Het Théâtre Français was de kroon op een lange Haagse traditie. In de zeventiende en vroege acht-tiende eeuw speelden rondreizende operatroupen Franse stukken in kaatsbanen en ‘pikeurschuren’ (maneges). In 1709 opende de Comédie Française zijn deuren aan de Casuariestraat. Hoewel de voorstellingen werden bezocht door de elite, was het gebouw armoedig. Een kleine eeuw later snakte het publiek naar een nieuw theater. Aan het Korte Voorhout, om de hoek van de Comédie, stond een halfrond paleisje in Louis XVI-stijl. Karel Christiaan van Nassau-Weilburg, de zwager van stadhouder Willem V, had het laten bouwen, voor hemzelf en zijn echtgenote: prinses Carolina van Oranje-Nassau. Door de politieke ontwikkelingen moesten ze uitwijken naar Duitsland en hun nieuwe onder-komen achterlaten. Vijf vermogende Hagenaars lieten het leegstaande pand ombouwen tot een intiem theater voor maximaal 712 toeschouwers. De Koninklijke Schouwburg werd in 1804 feestelijk ingehuldigd.

VERFIJND VERMAAK EN RUMOER
Twee gezelschappen bepaalden de programmering. De Hollandsche Schouwburg speelde Nederlandstalige theaterstukken. Het Théâtre Français bracht Franstalig muziektheater. Daar was een groot publiek voor. Frans was in het kosmopolitische Den Haag de voertaal vande kringen rond het hof. De indruk bestaat dathet Théâtre Français vooral de elite bediende met verfijnd vermaak. Maar het gezelschaporganiseerde ook betaalbare voorstellingenvoor minder kapitaalkrachtige operaliefhebbers. De gemoederen in de schouwburg konden hoog oplopen. Zangers die niet bevielen, werden zonder mededogen uitgejouwd. In 1825 brak door een ondermaatse tenor zo’n hevig oproer uit dat politie en militairen moesten ingrijpen

Het aanbod was jaloersmakend veelzijdig, Zeker voor operaliefhebbers in de 21ste eeuw. De Franse opera kende vele genres. De opéra comique was populair, een opera met gesproken dialogen, net als het geheel gezongen drame lyrique. En ook de vaudevilles bleven lang geliefd: kluchtige blijspelen met gezongen nummers.Het Théâtre Français breidde het repertoire bovendien steeds vaker uit met Italiaanse en Duitse opera’s in vertaling.

De voorstellingen begonnen vaak al om half zeven. Meestal kon het publiek op één avond meerdere stukken zien. Op 4 november 1871 bijvoorbeeld startte de avond met de comédie Le Post-scriptum van Emile Augier. Daarna volgde Verdi’s La traviata. De avond eindigde luchtig met Offenbachs operette Mr. Chouflerie restera chez lui le. Om zo’n veelzijdige triple bill te kunnen presenteren was het aanbrengen van coupures eerder regel dan uitzondering. Het Théâtre Français nam voortdurend nieuwe opera’s op zijn repertoire. Een operahuis was nog geen instelling waar, zoals nu, jaar in jaar uit veelal dezelfde klassiekers het aanbod bepalen.

SPEKTAKEL IN DE GRAND OPÉRA
Op 5 juli 1830 kreeg het publiek iets nieuws voorgezet: de avondvullende opera La muette de Portici van Auber. Het was een grand opéra, een genre dat in Parijs binnen enkele seizoenen mateloos populair was geworden: een opera met vijf aktes, tientallen figuranten, ballet, uitbundige kostuums, spectaculaire toneelbeelden en special effects – dankzij een ingenieuze theatermachine kon het Haagse publiek zich in de slotscènevergapen aan een vulkaanuitbarsting. Het publiek raakte zo enthousiast dat Aubers opera dezelfde maand zes keer moest worden hernomen.

Het aanbod werd ter plekke op de vraag afgestemd. Het theaterseizoen was niet, zoals in onze tijd,lang van te voren dichtgetimmerd. Om de grand opéra in de intieme Haagse Schouwburg te kunnen spelen, moest het orkest overigens stevig worden ingekrompen. Niet alleen in Den Haag maakte La muette de Portici indruk. Ruim zes weken na de eerste uitvoering door het Théâtre Français gaf de opera in Brussel de aanleiding tot een volksopstand en de afscheiding van België.

Het publiek dat in de eerste decennia van het Théâtre Français vooral luchtige komedies had gezien, raakte verwend door de grootse spektakelstukken. De grand opéra bleef. Ook de overrompelende opera’s van Meyerbeer, zoals Les huguenots en Robert le diable, stonden op het programma van het Théâtre Français, tot inde twintigste eeuw. Les huguenots werd 359 keer gespeeld, een aantal dat alleen door Gounods Faust is overtroffen met 382 uitvoeringen. De productiviteit van het gezelschap was duizelingwekkend.

EEN HOBBYPROJECT VAN WILLEM II
Het Théâtre Français wordt vaak omschreven als een gezelschap dat kon zwemmen in het geld. Die reputatie dankt het aan de vaak geciteerde memoires van Marcel Briol, régisseur-général du théâtre. Die noteerde in Grandeur et décadence du Théâtre Royal Français de la Haye: “alles was er in overvloed, decors, wapenrustingen, rekwisieten, meubels, behangsels, kostuums, alles was even betoverend en prachtig.”

Briol verwees naar de periode van 1840 tot 1851. Koning Willem II had het gezelschap geadopteerd en spendeerde aan zijn opera jaarlijks een klein fortuin. Bovendien stelde hij zijn voltallige hoforkest ter beschikking. De gages waren met recht vorstelijk. Niet alleen sterzangers traden op in Den Haag, maar ook de grote virtuozen van die tijd, zoals de pianist Franz Liszt en de violist Henri Vieuxtemps.

Koning Willem III zette het mes in het hobby-project van zijn vader. Het Théâtre Français kende daarna een enerverend bestaan waarin hetmeerdere keren scheerde langs de afgrond. Het gezelschap bleef ondernemend. Grote sterren vierden in Den Haag triomfen, zoals Adelina Patti en Nellie Melba, voor Ambroise Thomas de ideale vertolkster van Ophélie.

HAMLET, EEN HAAGS SUCCES
In 1868 verzamelde muziekminnend Parijs zich voor de première van Hamlet, de nieuwe grand opéra van Ambroise Thomas, waarvoor het succesvolle duo Michel Carré en Jules Barbier – de tekstschrijvers van Gounods Faust – het libretto had geleverd. De voorstelling vond plaats in de tijd dat in ons land zelfs regionale kranten culturele primeurs van over de grens versloegen. De krantenlezers konden lezen dat Hamlet niet met onverdeeld enthousiasme was ontvangen. Kritische noten werden gekraakt over de vrije omgang met Shakespeares toneelstuk en de Wagneriaanse ondertonen in de partituur. Mogelijk kwam om die reden Hamlet pas acht jaar later op het repertoire van het Théâtre Français. De kritiek van het eerste uur moet toen zijn overgewaaid. Want tot het laatste seizoen van het Théâtre Français in 1919 was de opera niet minder dan 153 keer te zien.

HET DOEK VALT
In een ruime eeuw was de Haagse bevolking ingrijpend veranderd. Den Haag was niet meer voornamelijk een hofstad. Bovendien organiseerde het concurrende Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen succesvolle Italiaanse operavoorstellingen.

Op zondag 4 mei 1919 viel voor het Théâtre Français het doek. Het gezelschap gaf zijn laatste voorstelling: een avond waarin de successen van het seizoen de revue passeerden. Tot ver na middernacht kreeg het publiek een royaal programma te zien: de tweede akte uit Carmen van Bizet, de derde akte uit Rigoletto, de derde akte uit La vie de Bohème (de Franstalige versie van Puccini’s opera), de tweede akte uit Mignon van Thomas en de vierde akte uit Louise van Charpentier. Het is te begrijpen dat operaliefhebbers nog decennialang met weemoed terugkeken naar de glorietijd voor de Franse opera in de Koninklijke Schouwburg.

LEES MEER
Hierboven konden we een ruime eeuw Théâtre Français slechts schetsen in grove penseelstreken. Paul Korenhof wijdde aan het Théâtre Français een uitgebreid hoofdstuk in het onder zijn redactie uitgegeven jubileumboek De Koninklijke Schouwburg 1804 – 2004. François Boulangé maakte van het onderzoek naar het gezelschap zijn levenswerk. Over het repertoire en de zangers schreef hij uitputtend in zelfuitgegeven cahiers die in enkele bibliotheken te lezen zijn. Hoe van 1840 tot 1890 rangen en standen zich in Haagse culturele instellingen tot elkaar verhielden, is het onderwerp van Plaatsen van beschaafd vertier, een proefschrift van Jan Hein Furnée. Over de Comédie Française in de achttiende eeuw schreef Aldo Lieffering eenuitgebreide studie: The French Comedy in The Hague 1749 – 1793.

  • '

    'De ene spraakmakende voorstelling na de andere'

    '
  • Theaterkrant